Jonge musici en een vol Koetshuis
Podiumervaring opdoen is belangrijk
voor jonge musici. Laureaten van het Prinses Christina Concours kregen
op 14 november jl. volop de gelegenheid hun kunnen te tonen. Het is
altijd weer bijzonder jonge mensen aan het werk te zien die straks onze
muzikale cultuur gaan dragen. De belangstelling voor de aankomende
talenten was groot, want het sfeervolle en gastvrije Koetshuis Keukenhof
Lisse was tot de laatste plaats bezet. Het interessante programma kende
werken van bekende en minder bekende meesters. De avond werd besloten
met Mozarts trio voor klavier, altviool en klarinet K.V. 498, het zgn.
Kegelstatt-Trio. Boeiende muziek ging hieraan vooraf.
De harpiste Fleur van Lith (1988)
opende de avond met Prélude opus 12 nr. 7 van Sergei Prokofiev.
Dit oorspronkelijk voor piano geschreven werk klonk op de harp enigszins
schril maar in wat volgde liet Fleur horen veel muzikaal gevoel te
hebben. Au seul du temple uit Trois Images op. 29 van M.
Tournier was warm en donker, terwijl Lolita la danseuse
opwindende Spaanse klanken liet horen. Het Scherzetto van Jacques
Ibert werd dynamisch en veerkrachtig gespeeld. Alphonse Hasselmans’
La Source op. 44 noemde Fleur ‘mijn lievelingsstuk’. Het werd mooi
gespeeld al was van enige onrust sprake.
De altvioliste Anna-Magdalena den
Herder (1988) en de pianist Svjatoslav Presnyakov (1987) speelden
Phantasiestücke op. 73 van Schumann. Dit oorspronkelijk voor
klarinet geschreven werk uit 1849 is bijna een voorafschaduwing van
Schumanns romantische celloconcert. Het deel Lebhaft, leicht klonk soms
gerijpt, soms onduidelijk, maar in het deel Rasch und mit Feuer veel
alles weer op zijn plaats.
Klarinettist Timo Tromp (1990) en
Presnyakov speelden vervolgens het werk Solo de concours van de
Franse componist Henri Rabaud. In dit pittige werkje waren de sfeer van
verdroomd Parijs’ straatleven en Chinese invloeden te horen. De Finale
werd overtuigend geblazen en attent begeleid op de piano.
Na de pauze was Anna-Magdalena den
Herder weer aan de beurt en dit keer speelde zij solo van Max Reger de
Suite nr. 1 in g-klein. Zij gaf in haar toelichting zelf aan dat
het muziek is bedoeld als ‘dansen’ ‘maar valt er bij de melancholische
Reger eigenlijk wel wat te dansen?’ vroeg zij zich af. Nu beschouwde
Reger zich als ‘eerste erfgenaam van Bach’, dus vreemd is die vraag
niet. Vooral het eerste deel Molto sostenuto leek erg geïnspireerd op
Bachs partitas en sonates voor viool en zijn cellosonates. Het derde
deel Molto vivace werd krachtig gespeeld al had er wat meer kleur in
deze mooie muziek mogen zitten.
En toen was het Kegelstatt-Trio
aan de beurt. Mozart zou het op verzoek van de pianiste Franziska von
Jacquin bij het kegelen geschreven hebben. De klarinetpartij was bedoeld
voor zijn grote vriend Anton Stadler, terwijl Mozart ongetwijfeld zelf
de altviool voor zijn rekening heeft genomen. Hoe de naam ook is
ontstaan: het is is ieder geval een kostelijk werk, waarin in afwijking
van het gangbare begonnen wordt met een Andante. Ontegenzeggelijk is
Mozarts muziek in staat uit elke musicus het beste te halen. Er was
evenwicht en pianist Presnyakov coördineerde zonder opdringerig te zijn.
Op die manier ontstond de altijd weer wonderlijke eenheid die het
musiceren zo boeiend maakt voor de uitvoerenden en tot een plezier voor
de toehoorders.
R.J. Braggaar,
Voorschoten
|