
Adresgegevens:
Papelaan W 220,
2254 AL Voorschoten.
|
 |
Kasteelconcert met vurige Tokayer wijn
Het anders zo bezonken koetshuis van
kasteel Keukenhof in Lisse werd op dinsdagavond 10 oktober jl. in vuur
en vlam gezet door muziek die werd uitgevoerd in een spontaan volkse en
een gecomponeerde kunstversie. Uitvoerenden waren twee gelouterde
rasartiesten: violist Andrei Serban en pianist Nico de Rooij. Hun vaders
speelden al samen en zij brachten een programma dat de toehoorders in
verrukking bracht. Dat er wel eens een nootje wegviel mocht niet deren;
het voornaamste was dat de boodschap uit de poestas en de steppen tot
het hart ging.
Het begon met de Oudhollandse dansen in een
folkloristische, en een klassieke uitvoering van Julius Röntgen. Andrei
Serban, deskundig gesteund door de piano wist van de klompendans met
eenvoudige middelen een puur muzikaal geheel te maken. Hij liet horen
dat, op de kunstmatige hedendaagse muziek na, veel muziek zijn begin
heeft in de volksmuziek. Dat was ook het geval bij de andere delen van
het programma: de blues, na 1863 ontstaan als uiting van ontevredenheid
bij negerslaven, naast de Blues die Maurice Ravel als zijn visie van
negermuziek opnam in zijn vioolsonate uit 1927. Oude Noorse dansen
tegenover een Noorse dans van Johan Halvorsen. De eerste variant was
bedoeld om gespeeld te worden op de Hardanger-viool; een instrument met
minstens acht snaren. Andrei Serban liet zijn instrument klinken alsof
het in plaats van vier, ook acht snaren bezat en kon in Halvorsens
virtuose muziek al zijn violistische kwaliteiten kwijt. Glissandi,
flageoletten en pizzicati werden moeiteloos aaneengeregen tot muziek van
hoge klasse. Daarna was Leroy Andersons bekende Fiddle-Faddle te horen,
nadat eerst een versie van de Ierse reels en jigs te horen waren
geweest. A Yiddishe Mamme zong weemoedig van dingen die voorbij zijn en
wees de weg naar John Williams’ Remembrances for Itzak Perlman. Die
muziek kon echter niet uitstijgen boven het predikaat ‘filmmuziek’.
Vrolijke en pittig gespeelde Klezmermuziek besloot het programma voor de
pauze.
Na de pauze kwam muziek van een aantal
Oosteuropese coryfeeën aan bod. De landstreken zijn uitgestrekt, de
mensen arm en droefgeestig, maar tegelijkertijd vrij en vrolijk en in de
muziek was dat allemaal te horen. Doina tegenover de Balada van Ciprian
Porumbescu, Russische volksliederen naast de Canzonetta uit
Tsjaikovski’s vioolconcert, dat technisch goed was, maar wat ruimer en
breder gespeeld had kunnen worden. De Hongaarse csardas naast Hejre Kati
van Jenö Hubay, en een volkse Finale gesteld naast de overbekende
romantische Zigeunerweisen op. 20 van Pablo de Sarasate. Vrijwel steeds
won de volksmelodie het van de gecomponeerde kunstversie. Samen met
Kodály verzamelde Béla Bartók vanaf 1905 de volksmuziek van de
Donaulanden. Zijn Roemeense dansen vormden de uitzondering op de regel
en deze prachtige muziek met zijn geraffineerde melodieën en listige
modulaties, won het nu eens glansrijk van de Roemeense volksmuziek Hora
en Sirba.
Een avond gevuld met muziek, vol van de
schoonheid van andere tijden en plaatsen, gespeeld met liefde en passie
en vurig als Tokayer wijn.
Ruud
Braggaar, Voorschoten
|
 |